Vrije wil vs. Determinisme

 

Inleiding

Het ‘probleem’ van de vrije wil is weer zo’n typisch filosofenprobleem, verwant aan het ‘other minds problem’ en het ‘lichaam geest probleem’. In het dagelijks leven bestaat dit probleem niet of nauwelijks. We worden er hooguit mee geconfronteerd in de rechtspraak en in de psychologie. In het eerste geval wordt de strafmaat en de soort straf bepaald door de mate waarin iemand verantwoordelijk gehouden kan worden voor zijn daad en die verantwoordelijkheid wordt altijd gerelateerd aan het hebben van een vrije wil. In de psychologie speelt het begrip vrije wil een rol in de verslavingsproblematiek.

Ook het ‘nature/ nurture’ debat komt om de hoek kijken. In hoeverre worden de keuzes die we maken bepaald door onze genetische opmaak en in hoeverre zijn ze bepaald door onze opvoeding en achtergrond? In beide gevallen kun je niet van ‘ vrije wil’ spreken. Toch is dit een andere problematiek dan waar ik het deze avond over wil hebben Een en ander zal noodzakelijkwijs vrij oppervlakkig blijven. Dit heeft te maken met het feit dat ik lange tijd volkomen verdwaald was in de problematiek en het een hele tijd geduurd heeft voor ik literatuur vond die voor mijn invalshoek relevant was. De meeste filosofen benaderen dit probleem vanuit een ethisch, logische en/of theologisch gezichtspunt. Ik wilde het benaderen vanuit de philosophy of mind.

 Vanavond wil ik allereerst met jullie van gedachten wisselen over de mogelijkheid van een éénsluidende definitie van het begrip ' vrije wil ' Is zo'n definitie überhaupt mogelijk?

 Na een kort overzicht van de verschillende denkwijzen over het vrije wil probleem wil ik de mogelijkheid onderzoeken of een vrije wil te combineren valt met een wetenschappelijk, materialistisch wereldbeeld. Ik zal me hierbij beperken tot de zienswijze van de analytische filosofen van de 20e  en 21e  eeuw.

Het vrije wil debat wordt bepaald door drie vragen: is determinisme waar? (De determinisme vraag) en Is vrije wil te verenigen met determinisme? ( De compitabiliteits vraag) en is vrije wil te combineren met indeterminisme: de intelligibility Question of Begrijpelijkheidsvraag, zoals ik het vertaald heb.

Deze vragen kan men positief of negatief beantwoorden  en beide antwoorden zijn te beargumenteren. De (vrije) keuze is aan jullie.

In mijn bijdrage zal ik een ' werkdefinitie' van vrije wil geven en  een mogelijke aanzet om tot een oplossing van het probleem te komen.

 

1. Definitie vrije wil

 

Zoals gezegd bestaan er nogal wat verschillende definities en verschillende meningen omtrent de noodzakelijke en voldoende voorwaarden voor de vrije wil. De voor de hand liggende definitie “vrije wil is kunnen doen wat je wilt” is begging the question, want het gaat niet in op de mogelijkheid dat die wil gedetermineerd is. In de literatuur ben ik deze definitie echter wel als uitgangspunt tegengekomen, met name bij de compatibilisten. Ook als de wil gedetermineerd is houdt vrije wil voor sommige van hen in dat je dan moet kunnen doen wat je wilt.

Hier volgen een paar andere voorwaarden zoals ik die in de literatuur ben tegengekomen

1. Er moeten alternatieve mogelijkheden aanwezig zijn voor de uitoefening van de vrije wil (Deze premisse wordt door Frankfurt onderuit gehaald)

2. De oorsprong van de bronnen van onze actie ligt in ons.

3. We worden niet gedwongen tot een keuze, noch door factoren binnen ons, noch buiten ons.

Aangezien voorwaarde 1 vervalt wilde ik me in de verdere discussie als we het hebben over vrije wil beperken tot de laatste 2 voorwaarden.

 

 

 

Om een idee te geven van de verschillende standpunten inzake de tegenstelling tussen determinisme en vrije wil volgt hier een overzicht. In het vrije wil debat zijn, kort samengevat, 3 mogelijke posities:

·                    determinisme bestaat, dit is niet te verenigen met vrije wil dus vrije wil bestaat niet (determinisme)

·                    determinisme bestaat, vrije wil bestaat (of is wenselijk dat het bestaat) dus we zullen beide moeten combineren (compatibilisme)

·                    determinisme bestaat niet, of het is een empirische kwestie of determinisme bestaat (Libertijnen), vrije wil bestaat wel (incompatibilisme)

 

Merk op dat ook het determinisme een vorm van incompatibisme is.

 

2. De Vraagstelling

 

1. De Determinismevraag (Is determinisme waar?)

 

Determinisme is er in vele vormen: fatalistisch, theologisch, wetenschappelijk en logisch. Ik zal me in deze bijdrage beperken tot het wetenschappelijk determinisme.

Het wetenschappelijk determinisme is in zijn meest extreme vorm aanwezig in het werk van Laplace, die zich baseerde op de Newtoniaanse fysica. Hij beweerde dat als we kennis zouden hebben van alle relevante data, we deze in een ‘wereldformule’ zouden kunnen stoppen en alle gebeurtenissen in verleden en toekomst zouden kunnen herleiden c.q. voorspellen.  De 20e eeuwse natuurkunde m.n. de kwantummechanica en de chaostheorie zijn een bedreiging voor deze visie, maar hebben haar nog niet helemaal onderuit gehaald. De redenen zijn de volgende:

  1. De interpretatie van de kwantummechanische fenomenen zijn niet éénduidig.
  2. Er is geen zekerheid over de invloed van deze fenomenen op de werking op macroniveau, zoals de werking van het menselijk lichaam.
  3. Zelfs als deze fenomenen wél invloed zouden hebben op de werking van b.v. het brein, zou dit nog niet te verenigen zijn met het hebben van een vrije wil. Oncontroleerbare processen zijn dat per definitie niet.
  4. Hoewel in de natuurkunde de tendens is niet in deterministische termen te denken, is dit in de psychologie en sociologie zeker wel het geval. De invloeden van genetica, evolutie, opvoeding en milieu op het gedrag worden tegenwoordig als heel belangrijk gezien.

Nog steeds vormen de wetenschappelijke uitgangspunten als het causaliteitsprincipe (iedere gebeurtenis heeft een oorzaak), de natuurwetten en de geslotenheid van de fysische werkelijkheid een probleem voor de vrije wil. 

 

  1. Klassiek hard determinisme

    Uitgangspunten:

    1e Alle gebeurtenissen worden bepaald door natuurlijke oorzaken: determinisme is waar.

    2e Vrije wil is niet te verenigen met determinisme              

     3e Er is geen vrije wil

     Voorbeelden: Baron d'Holbach 18e eeuw, Clarence Darrow, Paul Edwards 20e eeuw.

 

 

 

2. Nieuwe vormen van determinisme (successor view)

    Uitgangspunten:

    1e Het is niet zeker of er een universeel determinisme bestaat, dit is een empirische kwestie.

    2e Vrije wil is noch verenigbaar met determinisme, noch met indeterminisme

    3e Er is geen vrije wil

Voorbeelden: Strawson, Honderich, Pereboom en Smilansky

 

 

2.De Compatibiliteitsvraag

 

De compatibiliteitsvraag is de vraag of determinisme en vrije wil compatibel zijn. Als je er van uit gaat dat vrije wil als kenmerk heeft dat het “aan ons is” om uit een aantal alternatieve mogelijkheden te kiezen en dat we op geen enkele manier gedwongen worden, dan is vrije wil moeilijk te verenigen met determinisme.

Toch zijn er filosofen die denken een oplossing gevonden te hebben. Eerlijk gezegd ben ik het daar niet mee eens.  

 

1. Klassiek compatibilisme Proberen vrije wil te combineren met determinisme

    Uitgangspunten:

    Vrije wil houdt in:

    1e De kracht en de mogelijkheden te hebben, te doen wat je wilt.

    2e De afwezigheid van beperkingen te doen wat je wilt

    3e Als je iets wenst en er is voldaan aan voorgaande voorwaarden, dan doe je het ook.

 

    Voorbeelden: Hobbes, Hume, J.S. Mill, maar ook 20e eeuwse  filosofen als Ayer, Moritz Sclick en Donald Davidson. Als je uit gaat van genoemde definitie van vrije wil dan is vrije wil te verenigen met determinisme, ook als je er van uit gaat dat de wens gedetermineerd is. Je kan dan nog altijd doen wat je wilt. Kritiek: Deze theorieën gaan uit van vrijheid van actie, niet van vrijheid van wil!!!!! Vraag: Als de wens gedetermineerd is, is er dan nog sprake van vrije wil? Volgens mij wordt de vraag op deze manier niet opgelost, alleen een klein stukje opgeschoven.

 

2. Nieuwe vormen van compatibilisme

Deze theorieën hebben een morele invalshoek en focussen op de manier waarop het mogelijk is óók in een gedetermineerd universum, verantwoordelijk gehouden te worden voor zijn daden. Dit valt buiten de huidige probleemstelling en deze theorieën wil ik daarom overslaan.

    1e Reactieve attitude theorieën. Gebaseerd op P.F. Strawson's artikel Freedom and Resentment

    Uitgangspunten:

    Als we als mens willen leven is de notie van vrije wil onvermijdelijk. Deze

 

    2e Mesh theorieën

a)      Hiërarchische theorieën. We zijn vrij als we de wil (1e orde) hebben die we wensen (2e orde) De wil zet ons aan tot actie.

 

b)      Waarde theorieën. Het goede doen volgens goede redenen.

 

c)      Rede theorieën

 

 

3. Semi-compatibilisme

    Er zijn twee vormen:

    1e Karaktervoorbeelden bijvoorbeeld van Dennett. Luther zei: "Hier sta ik, ik kan niet anders".

 

    2e Frankfurtstijl voorbeelden: alternatieve mogelijkheden zijn niet noodzakelijk om moreel verantwoordelijk te zijn. (Controleur die alleen ingrijpt als de agens iets anders doet dan de controleur wil. Controleur hoeft echter niet in te grijpen)

 

 
3.De Intelligibility vraag De begrijpelijkheids vraag

 

Incompatibilisme ( Liberterian theories)

 

1. Liberterians

    Uitgangspunten:

Vrije wil bestaat, aangezien vrije wil niet te verenigen is met determinisme bestaat    determinisme dus niet. De “libertijnen” zoals ze in de literatuur aangeduid worden staan nu voor de opgave hoe vrije wil te verenigen met indeterminisme. Dit wordt aangeduid als de Intelligibility Question. (De Compatibility Question gaat over de verenigbaarheid van vrije wil met determinisme, de Intelligibility Question gaat over de verenigbaarheid van vrije wil en indeterminisme) Iets wat niet gedetermineerd is, is een kwestie van toeval. Niet gedetermineerde keuzes of acties zijn onwillekeurig, ongecontroleerd, grillig. Het is aan de libertijnen een causale factor te introduceren die niet op zich deel uitmaakt van een keten van oorzaken, maar de vrije keuze wel mogelijk maakt. Dit wordt op twee manieren gedaan:

 

 a) Agent causaal In deze visie is de agent  geen gebeurtenis en daarom niet het effect van een oorzaak (onbewogen beweger)

   

    b) Teleologische theorieën. Deze theorieën verklaren acties in termen van redenen. Er zijn 2 vormen:  niet causale theorieën, deze stellen dat er geen causaal verband is tussen de redenen van de agent en zijn vrije acties en causale theorieën die stellen dat er een causaal verband is tussen de redenen van de agent en zijn vrije acties, doch geen deterministisch verband, maar een waarschijnlijkheidsverband.

Tot zover een overzicht van de op het moment gangbare theorieën over de vrije wil. Ik wil mij nu richten op de beantwoording van de vraag: is vrije wil te verenigen met een wetenschappelijk wereldbeeld.

 

 

 

3. Het Wetenschappelijk Wereldbeeld en de mogelijkheid van vrije wil

 

Zoals eerder opgemerkt is de vrije wil geen enkel probleem in het dagelijks leven en eigenlijk ook niet in de psychologie. In de psychologie wordt men geconfronteerd met patiënten die door verslavingsproblematiek niet (meer) (volledig) over een vrije wil beschikken. Maar daarom beschouwt men ze ook als patiënten, afwijkingen. En afwijkingen zijn alleen mogelijk als bij normale mensen de vrije wil wel functioneert.

De vrije wil wordt pas een probleem zodra we naar de mens kijken met een objectiverende blik.  Hier vinden we raakvlakken bij het lichaam-geest probleem. Nagel merkte al tijden geleden op dat we b.v. bij de bestudering van qualia, een onlosmakelijk onderdeel van het bewustzijn, de objectiverende houding moeten laten varen omdat deze ons alleen maar verder van de oplossing afbrengt. Qualia zijn inderdaad moeilijk op een reductionistische manier te onderzoeken omdat de essentiële eigenschap, de persoonlijke ervaring, niet te generaliseren is.

Ik vraag me af of het met de vrije wil hetzelfde ligt. In ieder geval is de vraagstelling een andere. De al of niet vrije wil een bepaalde keuze te maken wordt onproblematisch toegeschreven aan bepaalde hersenprocessen. Misschien niet in een type-type relatie, maar toch wel in een token-token relatie. Hersenprocessen zijn onderdeel van de materiële wereld en volgen dus de natuurwetten en zijn onderhavig aan de causale geslotenheid van de materiële wereld. Beide voorwaarden liggen niet in onze invloedssfeer, dus hier begint het probleem.

Een algemeen geaccepteerde voorwaarde voor het hebben van een vrije wil is dat het “aan de persoon in kwestie is” om een bepaalde keuze te maken en dat hij/zij dus niet van buiten af gedwongen wordt. Dat wil niet zeggen dat een vrije keuze niet veroorzaakt wordt: een vrije keuze wordt veroorzaakt door motieven en redenen.( Het desire-belief-action principle) Dit is alleen mogelijk als mentale causatie mogelijk is, niet alleen mentaal naar mentaal, maar ook mentaal naar fysiek en fysiek naar mentaal. Hoe is dit mogelijk zonder het wetenschappelijk uitgangspunt van de geslotenheid van het fysische geweld aan te doen. Causatie betekent ook wetmatigheid. Als verwarming een koperen buis doet uitzetten is er een wetmatigheid die de verlenging met de verwarming verbindt.  En dat brengt ons bij het bekende lichaam/geest probleem.

Er zijn verschillende oplossingen bedacht voor de samenhang van lichaam en geest.

M (pijn)

 

            ­

           

F (neuronen)       ®      F (kreunen)

 

  1. Er bestaat alleen materie, opgebouwd uit elementaire deeltjes.
  2. Als aggregaten van deeltjes een bepaalde structurele complexiteit bereiken, ontstaan er volkomen nieuwe eigenschappen die kenmerkend zijn voor deze structuren. Een voorbeeld is de transparantie van water. Noch waterstof, noch zuurstof bezitten deze eigenschap.
  3. Emergente eigenschappen zijn niet te herleiden en niet te voorspellen vanuit de fenomenen van waaruit ze emergeren. Het zijn dus geen “resulterende” eigenschappen. Als je genoeg goudklompen samen smelt, zal dit resulteren in een goudklomp van een miljoen kilo. Dit kunnen we van te voren uitrekenen, ook al heeft niemand ooit een goudklomp van 1 miljoen kilo gezien. Een bepaalde neurologische constellatie zal nooit resulteren in een bepaalde mentale toestand, er kunnen wel mentale toestanden emergeren, zelfs volgens psychofysiologische wetten, maar deze zijn alleen ad hoc te kennen.  Hoe ze ontstaan kan ook door de emergentist niet verklaard worden.

 

            Het emergentisme is een vorm van niet reductief fysicalisme. Het is een vorm van mentaal realisme. Mentale eigenschappen zijn echte verschijnselen in de wereld. Echte verschijnselen hebben causaal vermogen en aangezien de emergentist er van uitgaat dat emergente eigenschappen niet te herleiden zijn tot de onderliggende fysiologische en biologische eigenschappen, heeft dit tot gevolg dat emergente eigenschappen ook een verschillend causaal vemogen hebben. Dat leidt er toe dat mentale eigenschappen andere mentale eigenschappen kunnen veroorzaken, redenen en motieven zouden dus keuzes kunnen veroorzaken. Het probleem is echter dat de verschillende mentale toestanden, óók volgens de fysicalistische emergentist, gerealiseerd worden in de fysiologie. Er moet dus een vorm zijn van downward causation.Maar dit gaat in tegen het principe van de geslotenheid van het fysische. Uiteindelijk komt het schema neer op het volgende:

M                                 M

 

­                                  ­  realiseert

 

F          ®                    F

                              Veroorzaakt

 

O ‘Connor gaat in zijn artikel niet op dit probleem in, wat hem wat mij betreft geen kandidaat maakt voor het aandragen van een oplossing.

 

 

 

·        Supervenientie

Dan ben ik nu toe aan de beloofde mogelijke aanzet tot de oplossing van het probleem. Let wel, mogelijke aanzet tot. Ik heb niet de illusie een eeuwenoud filosofisch probleem tijdens deze bijeenkomst even op te lossen. Wel viel mij op dat weinig filosofen het vrije wil-determinisme probleem in verband brachten met het mind-body probleem. Volgens mij zijn die twee onlosmakelijk met elkaar verbonden. De oplossing die ik in die trant ben tegen gekomen is van de bovengenoemde O’ Connor met zijn emergentisme.

Supervenientie dus. Wat is supervenientie? Informeel kan ik het het beste uitleggen aan een voorbeeld. Iemand wil een beeld maken van marmer dat zowel elegantie als melancholie uitstraalt. Na veel hakken en beitelen heeft hij het blok marmer de vorm gegeven die hij voor ogen had. Het beeld is geslaagd. Hij hoeft nu geen extra werk meer te verrichten om elegantie en melancholie toe te voegen. Deze eigenschappen supervenieren volledig op de fysieke vorm.

Supervenientie is dus wat anders dan causaliteit. In het geval van supervenientie is er geen sprake van een causale keten. Mentale toestanden worden niet veroorzaakt door neurobiologische processen, ze worden bepaald door neurobiologische processen. Ze zijn er echter niet identiek aan. Supervenientie laat de mogelijkheid van multipele realiseerbaarheid open. 

Hoe zit het met de causatie?

 

 

M                    ®                     M

            Veroorzaakt (sup)

­                                             ­ supervenieert

                                               

F                      ®                    F

    veroorzaakt

In deze visie is het mogelijk  keuzes causaal te verklaren aan de hand van het door Donald Davidson geïntroduceerde desire, belief, action model, zonder in mind body dualisme te vervallen. Bovendien doet het recht aan zijn aanname dat er geen causale wetten kunnen bestaan tussen complexe mentale toestanden zoals desires en beliefs en neurologische (dus fysische) toestanden. (Anomaal monisme) Dit komt omdat het desire, belief action model is gebaseerd op rationaliteit en coherentie. In de fysische werkelijkheid is deze rationaliteit en coherentie niet aanwezig, ze wordt er door de mensen ingelegd.

Supervenientie gaat uit van twee verklaringsniveaus, een fysisch verklaringsniveau met zijn eigen vocabulair en een mentaal verklaringsniveau met zijn eigen vocabulair Ons psychologisch taalgebruik is daarmee gered en daarmee ook de idee dat  onze keuzes bepaald worden door onze motieven. De idee van de vrije wil kan dus blijven bestaan, hoewel onze keuzes deel blijven uitmaken van de fysische wereld en daarmee volkomen gedetermineerd zijn.

Het vrije wil probleem kan dus gezien worden als een probleem dat ontstaat door verwarring van twee taalspelen. Wittgenstein krijgt dus weer gelijk

 

 

 

 

 

 

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

The Oxford Handbook of Free Will, ed. Robert Kane, Oxford University Press 2002.

The Mind’s I, ed. Hofstadter and Dennett, Penguin Books, 1981

The Philosophy of Karl Popper, ed. Schilpp, The Open Court Publishing Co. 1974