Relevantie

Wat is relevantie? Ik ben ‘relevantie’ in mijn Agricola studie tegen gekomen, maar ook op andere plekken. Agricola geeft een mooie omschrijving van gebrekkig relevant spreken, ook te lezen in de bundel Stokpaardjes, namelijk als twee mensen zo spreken dat het wel lijkt of de één een bok melkt en de ander er een zeef onderhoudt. Prescriptief gezegd: bij het spreken (melken!) veronderstellen we dat de spreker dingen aanvoert die bepaalde communicatiedoelen (melk!) dient, en dat de gesprekspartner de boodschap (melk) opvangt. Er moet een communicatiedoel zijn en goed begrip: de een moet kritisch zijn of er wel wat te zeggen valt (bokken melken) en al het gezegde daarop richten en de ander moet zijn best doen de boodschap op te vangen. Als we het communicatiedoel de ‘zaak’ noemen, en als alles wat gezegd wordt met de ‘zaak’ samenhangt dan is het spreken ‘zakelijk’ of ‘ter zake’. Dus als iemand een vraag stelt over een bepaald onderwerp, en de persoon antwoordt wel, maar het antwoord betreft een andere vraag, een vraag over een ander onderwerp dan kunnen we zeggen dat het antwoord niet ‘ter zake’ is. Of als iemand een breedvoerig verhaal houdt, over allerlei dingen uitweidt, dan worden we ongeduldig en willen we weten waar zhij heen wil (latijn: Quorsum haec?), waartoe alles toe dient, of waar het over gaat. Naast Agricola kunnen we Hempel en Kuhn noemen.

Hempel in zijn inleidend wetenschapsfilosofisch werkje beschrijft het geval Semmelweis om te laten zien dat feiten verzamelen om een probleem op te lossen altijd geleid wordt door een hypothese d.i. een richtinggevend idee. Zonder die hypothese als een mogelijke oplossing voor het probleem is feiten verzamelen en dus ieder empirisch onderzoek onmogelijk. Hempel drukt dit uit door te zeggen dat

feiten alleen maar relevant zijn voor de (mogelijke) oplossing van een probleem en nooit voor een probleem als zodanig.

Ook bij Kuhn vind je dingen die met relevantie te maken hebben. We kennen Kuhn’s paradigma opvatting van wetenschap, paradigma o.a. in de betekenis van een schoolmakend voorbeeld. Wetenschap in de eigenlijke zin van het woord, zegt Kuhn, begint alleen dan pas als er zo’n schoolmakend voorbeeld is gesteld, daar vóór is er slechts chaos. Kuhn noemt de uitvinding van de Leidse fles, het eerste model van een condensator, waarin electriciteit vergeleken wordt met water, en als zodanig in een fles kan worden opgeslagen. Electriciteit en alles wat daarmee samenhangt in een watermodel, dus als een stromingsverschijnsel, is uiterst vruchtbaar gebleken voor wetenschappelijke theorievorming over het verschijnsel electriciteit. Het paradigma zorgt voor samenhang en voortgang in het onderzoek, brengt een zekere orde of suggereert die, een orde die er daarvoor niet was. Ook hier kunt je zeggen dat

feiten relevant zijn, hun belang ontlenen aan een bepaald kader, dat oplossingen aandraagt/suggereert voor bepaalde problemen.

De vraag is of ‘relevantie’ hier genoemd duidt op een zelfde grondverschijnsel. Heeft relevantie te maken met communicatie in de zin van ‘slechts’ informatieoverdracht, dat wil zeggen is een gebrek aan relevant spreken slechts een vormfout, slordigheid, tijdrovend, zoals men onzakelijkheid vaak in verband met vergaderingen beschouwt. Of is relevantie, of een gebrek daaraan, van fundamenteler betekenis, als een begrip dat bijvoorbeeld te maken heeft met kennisverwerving, rationaliteit, wetenschap, ja misschien wel met zingeving in het algemeen.

 

 

 

 

 

De wetenschapper als luisteraar.

Laten we er eens vanuit gaan dat kennisverwerving, de bovengenoemde context van wetenschappelijke onderzoek, en communicatie in zekere zin gelijkvormig zijn, dat wil zeggen, er is in beide gevallen sprake van informatie-‘verwerving’: namelijk, een wetenschapper die op zoek is naar bepaalde regelmatigheden, en een luisteraar die op zoek is naar datgene wat een spreker wil zeggen. Dan gaan we iets overzetten vanuit het ene model naar het andere:

Zoals een wetenschapper een hypothese moet hebben over een mogelijke oplossing van een probleem moet een luisteraar een idee hebben wat een spreker wil zeggen.

De opmerkingen van Hempel zijn gericht tegen de voorstelling dat empirisch onderzoek een simpele feitenopsomming is, dat de oplossing van een probleem zich aandient door een objectief vergelijken en ordenen van deze feiten, dat een mogelijk goede oplossing van een probleem zich laat ontwikkelen tijdens dat onderzoek zonder vooraf enig idee te hebben waar het onderzoek de onderzoeker zal leiden. In een naief empirisch kennisverwervingsmodel is de onderzoeker blanco.

In een (verkeerde) voorstelling van het ideale spreken is de luisteraar in het begin net zo blanco, en er wordt verondersteld dat het doel van het spreken, de uiteindelijke informatie waarop de luisteraar zit te wachten, zich uit het spreken laat afleiden als het spreken is afgelopen of een zekere mate is voortgeschreden. Als de spreker genoeg heeft aangedragen is daaruit door de spreker ‘passief’ het doel van het spreken af te leiden. Maar net zomin als er bij Hempel feiten verzamelen mogelijk is zonder een voorafgaand idee van een oplossing, is er communicatie mogelijk zonder een voorafgaand idee van wat er gezegd gaat worden.

Dus:

Als de spreker niet duidelijk maakt wat het communicatiedoel precies is, zal de luisteraar er onmiddellijk een moeten bedenken, want zonder een idee van wat het doel is, is luisteren (in de zin van informatieoverdracht) onmogelijk. Mogelijk zal dit idee steeds bijgesteld moeten worden, zoals in een onderzoek de ene hypothese op de andere volgt.

Als dit zo is, dan is het zonneklaar dat de zakelijkheid van een vergadering bijvoorbeeld niet zo maar een tijdbesparend middel is, maar ook een kwaliteitverhogend middel. En ook: er is tevens een groot verschil van de natuurwetenschapper met de luisteraar vast te stellen: de spreker kan inderdaad letterlijk zeggen wat zhij wil duidelijk maken de natuur niet.

 

Deductie

Woorden als ‘zaak’ zijn, denk ik, historisch ontleend of verwant aan juridisch spraakgebruik. Als Sherlock Holmes veronderstelt dat P. de moordenaar is (de zaak: ‘is P. de moordenaar?’) dan zal Holmes een samenhangend verhaaltje moeten vertellen, waarin alle bekende feiten zodanig worden voorgesteld en op een rijtje gezet, dat P. het inderdaad gedaan kan hebben, en er geen (bekende) feiten zijn die met deze mogelijkheid in tegenspraak zijn. Holmes spreekt van ‘deductie’ en er is inderdaad sprake van een zekere gevolgelijkheid. Het spreken in het algemeen vertoont een zelfde soort gevolgelijkheid, dat wil zeggen, dat

er bij communicatie een vooronderstelling bestaat dat alles wat gezegd wordt gericht is op (het duidelijk maken van) een bepaald communicatiedoel zodanig dat het communicatiedoel logisch afgeleid kan worden uit datgene wat aangevoerd wordt, en andere niet direct uitgesproken dus verborgen maar wel aanvaarde feiten of vooronderstellingen.

Zetten we het Holmes voorbeeld weer over naar communicatie dan zeggen we:

(in het geval dat u niet expliciet zegt wat u wil duidelijk maken) als ik als luisteraar veronderstel/raad dat u als spreker dit of dat bedoelt dan zal alles wat gezegd is/wordt in een samenhangend geheel moeten worden geplaatst, zodanig dan er geen dingen die gezegd zijn er mee in tegenspraak zijn.

De inferentiële kijk op communicatie is in de moderne tijd voor het eerst geïntroduceerd door Grice. Het bijzondere van deze is dat het zich keert tegen communicatie als een (uitsluitend of met name) regel-, code- of tekengeleid systeem. Deze zienswijze wil dus, let op, niet zeggen dat er geen gebruik gemaakt wordt van regels of tekens in de zin van code, maar meer dat de overall structuur inferentieel is.

Voorbeeld

Stel u schraapt uw keel, dan kan dit zonder dat u dat tegen iemand wil zeggen een aanleiding zijn voor een ander te menen dat u een zere keel hebt. Dit is geen communicatie maar directe waarneming. Uw schrapen kan ook een communicatief handelen zijn. Daarvoor moet er een ander aanwezig zijn, en u moet duidelijk maken dat u een teken gaat geven. U heeft nooit iets afgesproken met de ander. Als u duidelijk wil maken dat u last van uw keel heeft dan kan dat bijvoorbeeld zó:

  1. u vraagt de aandacht van de ander (= hallo, ik wil iets ‘zeggen’)
  2. u wijst op uw keel (=er is iets met de keel)
  3. u schraapt uw keel nadrukkelijk

U doet hier iets met tekens wat ook gedaan kan worden door te zeggen

(1) ‘ik heb last van mijn keel’

Ook in dit geval geeft u bepaalde aanwijzingen waaruit de ander af kan leiden wat u wil zeggen. Als ons bovenstaande luisteren-kan-niet-zonder-idee-wat-de-ander-wil-zeggen waar is, dan veronderstellen we dus hier, dat het uiten van de klanken die overeenstemmen met de corresponderende woorden ‘ik heb last van mijn keel’ wil zeggen dat je dit wil duidelijk maken: ik heb last van mijn keel. Dus:

het communicatiedoel kan samenvallen met wat je zegt.

Maar lastig is als er op ‘ik heb last van mijn keel’ volgt:

(2) ‘tafels hebben poten’

ook al lijken deze zinnen (1) en (2) niet samen te hangen, toch kan het dat door het creëren van een bepaalde achtergrond en een communicatiedoel deze zinnen samenhangend gemaakt worden. We stellen ons als luisteraar dan de vraag: in welke wereld zou het uiten van deze twee zinnen zinvol zijn? Naast een wereld creëren we dan als luisteraar ook een communicatiedoel.

elk willekeurig tweetal zinnen van welke inhoud dan ook kan in een denkbeeldige wereld zakelijk samenhangend worden gemaakt.

Er zijn in het geval (1) en (2) bijvoorbeeld een oneindig aantal werelden en communicatiedoelen voor te stellen, die deze zinnen samenhangend maken (huiskamervraag: welke bijvoorbeeld?). In de praktijk van alle dag worden mogelijkheden van zakelijke samenhang beperkt door de omstandigheden, of beter, kennis van de omstandigheden, inclusief, kennis van de interne geestelijke wereld van de sprekers.

Overigens is het interessant wat er dan (psychologisch?) gebeurt bij het zakelijk samenhangend maken van deze zinnen. Ik heb de neiging om naar bepaalde overeenkomsten tussen de zinnen te kijken zoals: ‘poten’ en ‘keel’ lijken allebei op iets dierlijks te duiden en ontstaan er communicatiedoelen als:

‘tafels hebben last van hun keel‘ (via bijvoorbeeld: -ik heb ook poten - tafels lijken op mij)

hetgeen onzinnig is natuurlijk, behalve in een fictieve wereld waarin sprekend meubilair ten tonele wordt gevoerd, een stoel in gesprek met een tafel bijvoorbeeld.

Communicatie

Stel eens dat iemand (=Marie) zegt:

(3) ‘Ik had een zere keel op kerstavond’

Bij waarneming (zie boven) is het schrapen van de keel opgevat als een directe aanwijzing dat Marie een zere keel had. Maar de uiting van (3) is niet direct veroorzaakt door haar zere keel op kerstavond. Wel is de uiting van (3) direct veroorzaakt door de wens, Grice zegt intentie, een ander hiervan op de hoogte te stellen. Dus Marie’s uiting van (3) is een directe aanwijzing van een intentie een ander op de hoogte te stellen van het feit dat ze een zere keel had op kerstavond. Dit gedoe met intenties is heel verwarrend. Wij spreken liever consequent vanuit het perspectief van de luisteraar in termen van communicatiedoelen. En een communicatiedoel is in eerste instantie als een constructie van de luisteraar een oplossing van het probleem wat de spreker wil zeggen (intentie).

Wij gaan niet verder in op de ingewikkelde Grice etc. discussie. Wij zien het zo.

Alle spreken is relevant, wil zeggen alle spreken heeft (moet hebben) een communicatiedoel vanuit het perspectief van de luisteraar.

Als iemand (3) zegt dan moet de luisteraar een doel veronderstellen. Een voor de hand liggend doel (er zijn vele andere doelen te bedenken) is dat de luisteraar veronderstelt dat (3) gezegd wordt om duidelijk te maken dat de spreker een zere keel had op kerstavond; maar (3) kan ook gezegd worden om iets heel anders duidelijk te maken.

De luisteraar kan zich ook vergissen. Dit betekent dat er een communicatiedoel verondersteld wordt die niet overeenstemt met de intentie van de spreker, dat is, wat de spreker (eigenlijk) wil zeggen. Heel handig is te beseffen dat het zo werkt en dat de spreker zijn spreken zo inricht, dat het de luisteraar zo gemakkelijk mogelijk wordt gemaakt. Nog handiger is als van te voren overeenstemming bereikt wordt over wat de communicatiedoelen zijn. Als we terugkeren naar het Agricolavoorbeeld: hier voert de spreker dingen aan die het doel (melk!) niet dienen, en de gesprekspartner doet niet zijn best het doel te construeren.

 

maandag 20 oktober 2003

Rob Losekoot